Te gast of de visogige long 

This text was written during a residency in Brussels at the invitation of the literary organisation Het beschrijf. The text is part of the first "Cahier" of Het beschrijf, title "Aankomen in Brussel. Schrijvers op bezoek", published in November 2008 by Het beschrijf and Uitgeverij Vrijdag

Dutch Translation by Ingrid Arteel

De schrijversflat beviel me meteen. Hoge plafonds, alleen het noodzakelijkste meubilair en veel licht ontvingen mij, de nieuwe schrijfster. Werk- en slaapkamer lagen zo ver mogelijk uit elkaar en ik stelde de lange gangen van deze flat op prijs en de spiegels die mijn eenzaamheid, waaraan ik langzaam gewende, beschermden. In Brussel was het voor mij ook belangrijk om de vier muren te kunnen ontvluchten, snel onder de mensen te komen en door de stad te flaneren wanneer ik er maar zin in had. Het verschil met een verblijf op het platteland is de mogelijkheid om in de stad van de ene ruimte in de andere te geraken, pleinen, straten en wegen als corridors te gebruiken die me het gevoel geven van een doel waar ik dan plaats kan nemen.
Mij beviel het feit dat ik op basis van mijn literair werk, dat neerkomt op een exploratie van afkomst, naar Brussel was uitgenodigd, naar de Europese stad van delicatessen. Het eerste wat ik in de supermarkt kocht was een zaklamp, omdat in de traphal naar mijn flat het licht kapot was gegaan. Een conciërge die het had kunnen herstellen was er niet, en van zelf geraakte het licht ook niet hersteld, mijn hele verblijf lang.

Al op de tweede dag reed ik naar Breendonk om er de sporen te volgen van de balling Jean Améry, die in Schuld en boete voorbij in baanbrekende essays als overlevende van Auschwitz de grenzen van de geest opzoekt. Ik was in 2005 voor het eerst in een concentratiekamp-gedenkplaats, in Breendonk, en sindsdien schreef ik schetsen, schetsen, schetsen van mijn indrukken.

Het gevoel te mislukken achtervolgde me in Brussel van bij het begin, toen iemand van het literatuurhuis me afhaalde en als een wachttoren op post stond, met mijn jongste boek als herkenningsteken in de hand. Dat betekent in principe: mijn schrijven moet nut hebben. Meer hoef ik niet te denken om in een schrijfcrisis terecht te komen.
Nu ik deze zin opschrijf, schiet me te binnen dat ik in Brussel naar de radio luisterde en het nieuws hoorde over een tweeëndertigjarige Oostenrijker die 's nachts zijn ouders met een bijl had overvallen en het slapende paar in hun bed had vermoord. Hij wou hen gewoon een lesje leren. Helaas kon hij lezen noch schrijven.
Landbouwsubsidies zouden naar de Europese onderwijs- en cultuurpolitiek moeten gaan, zodat de mensen scherpe teksten leren schrijven om de dichtgevroren zee in onszelf open te hakken in plaats van naar de strijdbijl te grijpen.

Een blik in de spiegel boven het vuur in de eetkamer maakte me duidelijk: hier zal je ooit geweest zijn, en dat ik te lang in het concentratiekamp was gebleven. Ik had diepe kringen onder mijn ogen en het gevoel te stikken. Ik deed mijn mond wijd open en scheen met de zaklamp in mijn strot. Daar heb je ze, dacht ik, de verdachte stippen op de amandelen. Ik had in Breendonk een angina opgelopen.

Hoe ouder ik word, des te verschrikkelijker wordt het besef dat Auschwitz mogelijk was. Ik ben zo vrij het Oostenrijkse maatschappelijke lichaam te verlaten om in het Belgische binnen te glijden, en daarom weet ik helemaal niets behalve van mezelf dat ik gevoelig ben. De Belgische arts zegt dat 'empfindlich' in het Nederlands zoiets als 'quetschbar' betekent. De kraters op mijn amandelen zijn de afdruk van de beleefde werkelijkheid van de ongezonde vochtigheid in het etterende beton van Breendonk.

Brusselse gaten in het trottoir, afgepeigerde façaden, de fijnste restaurants, café Au Laboureur, de neoclassicistische Beurs onder de pis van de daklozen. De Pain Quotidien, waar ik elke dag als ontbijt flûte aux noix at en in Améry’s werk las. De gebarsten rokersbenen en gesprongen oedeemhuid van de daklozen. Passa Porta en Het beschrijf, de literatuur, internationaliteit, vitaliteit en de individualiteit die ik als schrijfster alleen, in alle rust ervoer, in drie kamers en allemaal voor mij alleen. In Wenen deel ik anders de ruimte met mijn kinderen.

De dokter vond dat ik iemand was die het weer in Brussel niet serieus nam. Ik haalde mijn schouders op. Ze gaf me de raad naar bed te gaan en antibiotica te slikken. Direct na mijn behandeling reed ik naar Antwerpen, waar ik aan de universiteit voorlas over het 'ik' in zijn literaire gedaante. Al in de trein naar Antwerpen voelde ik de toenemende druk in mijn keel, ik slikte de antibiotica. Maar nauwelijks was ik aangekomen of mijn amandelen waren zo gezwollen, dat er geen kik meer uit mijn keel kwam. Het was muisstil en een onvergetelijk geheimzinnige stemming breidde zich uit – tenminste voor mij – toen ik in de microfoon fluisterde, over Nobelprijsmakers, rechtspersonen, menseneters en poetsvrouwen vertelde, die het blazoen van zombies van elke smet reinigen.
Uitgeput keerde ik naar Brussel terug en lag dagenlang uitgeteld in het bed van mijn Brusselse flat – en toen ik genezen in een restaurant zat en hoorde hoe een Brusselse familie zich afvroeg van waar ik kwam, spitste ik de oren. Uit Frankrijk? Nee, dan zou ze ons toch begrijpen? Uit het noorden misschien? Daarvoor is ze te klein. Uit het oosten? Daarvoor is ze te tenger. Noord-Griekenland misschien? Ik kon – ik spreek immers nauwelijks Frans –, terwijl ik de mosselen lostrok uit hun schelp en opvrat, alleen maar aan mijn kapsel denken dat danig in de war was na mijn bedlegerigheid. ‘Certainement elle a besoin d’une coiffure’, zei madame bits, en toen dacht ik: smoor maar in je eigen vet, en antwoordde in het Australisch dat ik een kangoeroe was.

Een paar dagen later werd ik uitgenodigd op een etentje op het platteland. Ik wandelde in Vollezele door de weiden. Opgegroeid als ik ben in een taalracistische landschapsidylle, overvalt mij bij de gedachte dat ik op het platteland zou moeten leven een dodelijke verveling, waarvan ik heb gezworen dat ik ze zolang ik leef, niet meer zou riskeren. Ik verbind met vergankelijkheid een biologische en landschappelijke organenleer. Bovendien weerspiegelt de natuur bij elke stap die ik in haar zet dat ik mededader van verwondingen ben. Er is vanalles dat sterft onder mijn zolen, terwijl ik onvermijdelijk ook zonder te bewegen ouder word. De natuur groeit immers opnieuw, maar ik niet als het met mij gedaan is. Het zacht glooiende landschap rond Vollezele en Mechelen en Breendonk kon me niet misleiden. Een atypische rusteloosheid kreeg me te pakken zodra het natuurlijk groen werd en koeien begonnen te grazen en rijen populieren langs wegen stonden, die dan wel naar open ruimte konden leiden, maar mij brachten ze naar de geslotenheid, naar de holte van het opvang- en concentratiekamp. De streek rond Villa Hellebosch vertoont echter een elegante welving! Daar beademde ik me met natuur. In Breendonk met graflucht. Ik herinner me de winkel van grafzerken aan een kruispunt waar we zonder ongelukken voorbij waren gereden. Daar zou ik zeker voorbij zijn gewandeld op weg naar een koffiehuis, als ik in Villa Hellebosch had verbleven.
Ik was ook aan zee. Het had gestormd. Het zand kriebelde in mijn nek en gleed als door een zandloper. Ik ben Améry gevolgd. Was het plichtsbesef of een bewijs van moed? Schaduwen zijn ofwel schaduwen of kinderverzinsels. Ketenen zijn ketenen. Haken zijn haken. Folteraars zijn folteraars. Spoken zijn losgemaakte herinneringen en moeten vastgebonden worden, zegt Ruth Klüger. Een visogige long is een visogige long. Is een ademend oog. Een glazig lichaam waarin ik kijk. De blik is in de herinnering gericht en van daar kijkt het oog naar mij terug. Het licht was een pitje. Tv-toestellen flikkeren en ruisen, wat gisteren is gebeurd, keert nu weer als nieuwsbericht. De visogige long is een glazig lichaam en pulseert en ademt. Een zinloos beeld van een zinloos beeld – daarin ligt de onmogelijkheid het niets af te beelden. Woede die mij ketent, omdat ik van woede iets begrijp. Het niets heeft muren. Gevangenis, structuren, materie, stompen, rompen, resten. Ik zocht peilpunten die ik als lichtschakelaars had kunnen gebruiken om met mijn kijk de gruwel te verlichten.
Passa Porta was uitgerust met grote spiegels en de blik in die spiegels zei me dat ik iets moest ondernemen. Mijn locatie was gunstig! Ik was in Améry’s ballingsoord, Brussel, beschikte over geld en verkeerde in goed gezelschap. Samen met de Améry-specialiste Irene Heidelberger-Leonard nam ik het initiatief voor een gedenkplaat aan Améry’s laatste woonhuis in de Coghenlaan 56, in Ukkel. De Oostenrijkse ambassade onthulde de plaat in juni 2006. Ik ben er trots op. Hij is een deel van mijn 'fuit hic'.

Schapenwolkjes boven het Vlaamse heuvelland. Vreedzaam, zacht op de dag van de onthulling. Ergens zit de Vlaamse Bok. Helderziend zijn is herinnering.

Vertaald uit het Duits door Inge Arteel